Spring naar inhoud

koor aan het woord 2012

Brommer

“We hebben een brommer in de klas.” Aan het woord was de juf uit de tweede klas van de Eerste Leidse Schoolvereniging. Daar sta je dan als achtjarige! De juf vindt dat je niet kan zingen. “Maar” zo zei juf verzachtend, “Als je nu zachtjes mee neuriet, dan valt het niet zo op.” Overigens had ze wel gelijk. De hoge inzet van de meeste kinderliedjes haalde ik niet. En nog steeds ga ik liever de diepte in. Heeft dit mijn plezier in zingen vergald? Nee hoor, daarvoor heb ik teveel mooie herinneringen aan zingen. En een paar wil ik jullie niet onthouden.

Advocaatje ging op reis, tiereliereliere,
Advocaatje ging op reis, tierelierelom.
Met zijn hoedje op zijn arm, tiereliereliere,
Met zijn hoedje op zijn arm, tierelierelom.

Het liep niet goed af met advocaatje, maar dat is niet het punt. Ik was vijf jaar oud en zat in de kleuterklas. Een paar keer per week zongen we en dit was mijn favoriete lied. Een paar jaar later mocht onze klas meedoen aan de Reveille, het traditioneel zingen op 3 oktober, het Leidens Ontzet. Extra werd geoefend. Natuurlijk geuzenliederen als ‘In naam van Oranje doe open de poort’ en ook het Wilhelmus ontbrak niet. Feest! Daar stonden we met honderden kinderen op het plein voor het stadhuis. En zingen dat we deden! Hoe het verder is gegaan weet ik niet. Maar ik genoot. Met name omdat de liedjes ook ‘lekker laag’ konden worden gezongen en het mocht ook lekker hard.

In de jaren hierna was zingen minder iets ‘van school’. Het publiek beperkte zich tot mijn directe familie. Bijvoorbeeld in de auto onderweg op vakantie naar Zeeland. ‘Ik heb een hutje in het bos’ of ‘Daar woonden twee monniken Hans en Joop in een klooster op een heuvel’ van Jaap Fischer waren favoriet. Ook hier gold hoe lager en harder hoe leuker. En ook Boudewijn de Groot bracht ik om dezelfde redenen graag ten gehore. En iedereen was vol lof. Voor de goede orde: in het land der blinden is eenoog koning. De familie is zacht gezegd niet heel erg muzikaal. Dus iedereen overschatte mijn muzikale bijdrage.

Zingen werd weer serieuzer toen ik de pabo doorliep: honderden kinderliedjes kwamen  voorbij (en moest ik uit het hoofd kennen). Wederom werd ik geconfronteerd met de hoge – en ongemakkelijke – inzet van kinderstemmen. Maar dat werd meer dan gecompenseerd door het plezier. En al die liedjes kon ik vervolgens moeiteloos uit mijn mouw schudden voor zoonlief toen hij klein was. Elke dag draaiden we een heel repertoire af. En voor een publiek van een twee/driejarige durfde ik wel voluit te gaan, dus laag en hard.

Het was dus best wel eng toen mijn zus (ja, uit die zelfbenoemde niet zo muzikale familie) zo’n drie jaar geleden vroeg of ik bij Kwintessens kwam zingen. Want hard en laag doen het niet zo goed in een koor. Oké ik kan een beetje toon houden en een beetje noten lezen, maar echt zingen… Ik mocht gelukkig wel bij de alten 2. Al was het voorzingen voor Justina nog een regelrechte ramp. Spijt? Nee, absoluut niet. Zingen bij Kwintessens is een wekelijks feestje. En, ik heb veel beter leren zingen (dus ook minder hard). Alleen die hoge noten…, maar ze schijnen er nu eenmaal echt bij te horen.

Judith, oktober 2012